Hugo Erbe

* 8 september 1895 –  13 oktober 1965 †

Hugo Erbe, die zich volledig een leerling van Rudolf Steiner voelde, kwam tot inzichten, die wij vandaag de dag, nog nauwelijks of op z’n hoogst als beginners, kunnen realiseren.

Als men zich het verloop van zijn leven voor de geest stelt, kan op indrukwekkende wijze zichtbaar worden, hoezeer wij ons gewone denken en streven binnenste buiten moeten keren, als wij begrip willen krijgen van dat wat Erbe’s meest krachtige drijfveer was, namelijk de vraag: “Wat is leven?”. Wij kennen slechts het dode-minerale, al is dat weliswaar in een hoge mate van perfectie. Hoe echter tot stand komt dat minerale stoffen zich organiseren tot iets dat groeit, zich voortplant, zich beweegt, stoffen opneemt, verwerkt en weer uitscheidt, dat is voor ons met al ons hoogontwikkelde verstand een gesloten boek met zeven zegels. Erbe’s levensweg laat zien, hoeveel succes een belevendigd denken, met betrekking tot het vergroten van kennis en vaardigheden, op kan leveren en hoeveel ongeluk iemand te wachten staat, omdat men door zijn tijdgenoten nog niet begrepen word.

Hugo Erbe werd op 8 september 1895[1]  na 7 maanden zwangerschap geboren in Bad Cannstatt als kind in een oer-Schwabisch gezin. De wat bazige vader, textielfabrikant en leider van een familiebedrijf, wilde niet veel ban hem weten. Hij had van zijn ziekelijke kind ook makkelijk afstand genomen.

Al snel na de geboorte van Hugo verhuisden zijn ouders naar Mögglingen bij het Schwabische Gmünd in de streek Jagst. Daar werd het kind door zijn grootmoeder liefdevol grootgebracht. Deze vrouw zorgde vol overgave voor een grote tuin en wist veel van planten, dieren en ook van stenen. Erbe vertelde vaak hoeveel hij dankte aan de kennis van en gevoel voor de natuur van deze vrouw, die de plaats van zijn moeder innam. In de vroegste kinderjaren wekte zij bij hem de liefde en opmerkzaamheid voor alle natuurwezens. Bovendien ontwikkelde zich een bijzondere verhouding tot de op die plaats heersende geestelijk katholieke overtuiging, die ondanks de evangelische achtergrond van de knaap een hartelijke en voor het kind uiterst vruchtbare werd.

Na een onaangename, door allerlei ziekten vaak onderbroken, schooltijd moest Erbe nadat hij examen had gedaan eerst in opleiding voor koopman, omdat hij ooit het bedrijf van zijn vader moest gaan overnemen. Veel vreugde zal hem dat niet gegeven hebben, want een jaar later onttrok hij zich aan de leer en bevoogding door zijn vader, doordat hij zich als vrijwilliger bij het leger meldde. Daar liep hij op een dag – hij was net 21 jaar oud – langs een groot gebouw, waar hem tussen allerlei rommel een boek opviel, dat hij snel bij zich stak. Toen hij het nader bekeek, las hij de titel: “Die Geheimwissenschaft in Umriβ”[2] Nieuwsgierig wat dat wel voor een geheim was, begon hij te lezen en wist al snel dat hij dit boek, geschreven door Rudolf Steiner, nooit meer zou wegdoen.

Na de oorlog begon Erbe met een studie in München, maar moest deze echter, in 1920, voortijdig afbreken, omdat zijn vader ziek geworden was en hij nu in het bedrijf moest stappen om zijn vader te ontlasten. Deze omstandigheden brachten met zich mee dat hij heel vaak op zakenreis moest gaan, waardoor zijn horizon zich sterk kon verbreden. Daarnaast vond hij tijd om zich aan zijn muzikale talent te wijden en zijn natuurlijke bariton te laten scholen.

In 1922 trouwde hij met Maria Roschmann, de dochter van een grootbakker. Het huwelijk was buitengewoon gelukkig, bleef zijn hele leven in stand zonder crisis en er kwamen vier kinderen uit voort. Er waren echter toenemende problemen met zijn vader, een Schwabische stijfkop en vaak een kleinzielige, geen tegenspraak duldende, absolute heerser in zijn eigen rijk. Hugo kon geen onderdrukking verdragen. Dit leidde in 1924 tot een breuk tussen vader en zoon.

Erbe ging nu, begripvol door zijn vrouw ondersteund, zang studeren bij gerenommeerde leraren, onder andere bij de bekende zangmeester Behr in Arlesheim. Toen hij zijn eerste optreden bij de Frankfurter Opera had, werd hij ernstig ziek en verloor zijn stem. In de kliniek van Dr. Palmer te Stuttgart genas hij, maar de krachtige stem, die hij van nature had, kwam niet meer terug. Wat wel bleef was zijn ontwikkelde ademhalingstechniek, zijn klankvorming en de inzichten in het menselijke organisme als een instrument voor het vormen van klanken en woorden. Hij had veel begrip daarvan en hij werd vaak gevraagd om een spraak- en zangopleidingsinstituut te vestigen, waar hij volstrekt nieuwe scholingsmethoden zou kunnen realiseren. Tijdens zijn ziekte en de overwinning daarvan, moet daar de grote verering van het WOORD tegenover zijn gaan staan. Johannes, de ziener van Patmos, werd voor hem, door de scholing van Rudolf Steiner, tot zijn grote leraar. Zijn andere grote voorbeeld werd Christiaan Rosencreutz.

Toen hij genezen was nam hij, samen met zijn vrouw, de bakkerij van zijn schoonvader in Ulm over. Nu, drieëndertig jaar oud, nadat het vak van koopman en een kunstzinnige loopbaan afgesneden waren, voerde het lot hem naar het werkgebied van de menselijke voeding. Met de intensiteit die hem eigen is, verdiepte hij zich in het wezen van de granen, haar herkomst uit oeroude veredelingen van grassen, de groeivoorwaarden, de cultivering in de landbouw in samenhang met andere cultuurgewassen en haar merkwaardige tegenstelling tot de wijnstok. Ook bestudeerde hij de broodbereiding en bij zijn pogingen een beter rijsmiddel te vinden, ontdekte hij, dat wijn, op een bijzondere manier met het deeg verbonden, in staat was om de  juiste toevoeging te leveren, om daaruit het lichaam te laten ontstaan, zoals hij zei, het “Leib des Herrn[3]”. Vervolgens vond hij, mogelijk in samenhang met oude geschriften over de palingenese oftewel de opstanding van de planten uit hun as en de daarmee verbonden pogingen, vooral ook met het oog op het idee van Rudolf Steiner, om honing en zout als rijsmiddel te gebruiken, een bakhulpmiddel, met als grondstoffen de honing en het meel van Erbe. Het meel van Erbe levert hier als stikstofdrager en “Mercurius” de middelaar tussen het zouthoudende deeg als “Sal”en de geest van het brood, de honing, als “Sulphur”. Bij het bereiden van het rijsmiddel zelf, blijkt dat de hoeveelheid Erbe-meel in dezelfde verhouding tot de 20% honing staat als het totaal van de massa van de continenten van de aarde ten opzichte van de watermassa. Men moet niet over het hoofd zien dat daar, net als bij de omslag van het macro- naar het microtellurische[4] een omkering van “Sal” en “Sulphur” tot stand komt. Dit rijsmiddel heeft de buitengewone eigenschap om vrijwel uit iedere drager van zetmeel – graan, boekweit of zelfs maniok[5] – een brooddeeg te realiseren waarmee ronde of ovalen broden te bakken zijn, die luchtig en snijdbaar zijn, zonder dat ze in kruimels uiteen vallen, zoals dat bij maïs, gerst en boekweit bij de gebruikelijke bereiding met gist gebeurt. Bovendien treedt het rijsmiddel volledig terug, laat geen eigen smaak achter en heeft niet de geringste toevoeging van zuur nodig. In 1937 liet Erbe het rijsmiddel patenteren. De met dit rijsmiddel gebakken broden uit zijn eigen winkel ondervonden een dusdanig groeiende afzet, dat hij naast de tot nu toe enige bakkersleerling, nog twee andere moest aannemen.

Erbe breidde de bakkerij uit tot een banketbakkerszaak met een tearoom. Deze ontwikkelde zich tot een ontmoetingsplek van bewogen mensen uit alle mogelijke richtingen, een plaats waar uitwisseling plaatsvond van ideeën, muziek, dichtkunst en wetenschappelijke gedachten. In deze periode stelde de goede gang van zaken hem in staat om vaak uitgebreide autoreizen te ondernemen, omdat hij het bedrijf gerust onder de hoede van zijn vrouw kon achterlaten. Hij werd daarbij begeleid door een oude strijdmakker, die hij als chauffeur had aangesteld.

De reizen waren bedoeld om de natuur te                   Bakferment volgens Hugo Erbe
observeren en daarbij verzamelden de twee een van
de meest volledige mineraalverzamelingen, die er in die tijd bestonden. Van kinds af aan had Erbe een duidelijke concrete relatie met allerlei natuurwezens, die door zijn grootmoeder en door mee te leven met alle stille gebeurtenissen in de ruime tuin gewekt en tot ontplooiing gebracht werden. Gabriel Klotz, Erbe’s helper en chauffeur, vertelde hoe Erbe de auto plotseling liet stoppen, met de geologenhamer in de hand uitstapte, een paar passen het bos in deed, op een rots tikte en al snel de mooiste amethyst in zijn handen hield. “Je moet”, zo zei hij, “een goede relatie met de gnomen onderhouden”. Het kan alleen maar onder de voorwaarde van een dergelijke goede relatie denkbaar zijn, dat de zoektocht naar mineralen van twee mensen in de loop van enkele jaren een dergelijk belangrijke verzameling oplevert.

Toen bij een nachtelijk bombardement in het jaar 1943 het huis en de zaak van Erbe een prooi van de vlammen werd, was dat ook het einde van de mineralenverzameling. Door de ontbinding van de met metalen doordrongen stoffen, hadden de vlammen de meest wonderlijke kleuren.

Tegelijkertijd gingen toen ook talrijke kunstvoorwerpen en architectuurmodellen van de hand van Erbe, die op zijn zoektocht naar nieuwe vormen van stijl ontstonden, verloren. En ook literaire werken, sprookjes, novellen en vooral vele gedichten en enkele toneelspelen. Hij worstelde met het uitbeelden van mysteriën in de vorm van toneeluitvoeringen. Naast deze kunstzinnige bezigheden, hield hij zich bezig met de mens als microkosmos, bestudeerde de lichaamsbouw, het functioneren van de organen, haar samenhang met geneeskrachtige planten, metalen en andere mineralen. Diepgaand hield hij zich bezig met de vraag hoe deze tot geneesmiddel te bereiden, maar steeds vanuit het gezichtspunt van Paracelsus, voor wie de natuur en de sterrenwereld en niet de boeken de leermeester waren. Naast verscheidene artsen, waarmee hij zeer nauwe betrekkingen onderhield, verbonden vriendenkringen met tegengestelde aspiraties zich met hem, kunstenaars zoals de musicus H. Mahling en schrijvers zoals de anthroposoof Werner Bohm[6]. De laatste die van huis uit meubelkoopman was, hield zich vooral bezig met de astrologie en haar verdere ontwikkeling tot wijsheid omtrent de sterren, “Astro-Sophie”. Dit vond zijn neerslag bij uitgeverij “Die Kommenden” aanvankelijk via het in 1963/64 uitgegeven werk van Werner Bohm “Kosmos, Erde und Mensch”. Daarin is samengebracht wat Bohm bij Rudolf Steiner heeft gevonden en zo verwerkt dat het als een standaardwerk kan gelden voor ieder die een deugdelijke astrologie passend bij deze tijd, die dicht bij het leven en de geest staat, wil bedrijven. De gebruikelijke leer- en werkboeken zijn hiervoor al lang niet meer geschikt, omdat daar een voor nu absoluut onbegrijpelijke astrologie uit lang vervlogen Chaldeeuwse tijden aan ten grondslag ligt. Erbe sloeg Bohm’s werk hoog aan. Zijn slechts eenmalig, in 1949, uitgekomen Sterrenkalender vond hij een voorbeeldwerk op dit gebied en vooral een aanbeveling voor de landman.

Hugo Erbe was ook bekend met de bosmens Viktor Schauberger, die zoals nog nauwelijks iemand voor hem, het scheppen en werken van etherische vormkrachten op het spoor was gekomen. Wij vermoeden hier iets van een zeer levendig geestesleven, dat echter, overstemt door de bedrijvigheid van de materialistische wereld naar de achtergrond gedrongen en naar het onbekende verwezen werd.

In het jaar 1933 was Erbe tot professor in de zangkunst aangesteld aan de Berlijnse hogeschool voor muziek. Omdat hij echter resoluut weigerde tot de nationaal-socialistische partij toe te treden, kwam daar een eind aan. Van zijn vijandschap tegen het nazisme maakte Erbe geen geheim. Toen op een dag een anthroposophische vriend hem wilde bezoeken met een nazi-uniform aan, zette hij hem met de eis om nooit meer een stap in zijn huis te zetten buiten de deur. Het toeval wilde dat de leidinggevende nazibons bij de politie in Ulm een schoolkameraad van Erbe was. Deze zocht hem op een dag op, waarschuwde hem en raadde hem aan om onder te duiken op een afgelegen oord in de provincie, omdat hij hem vanwege zijn onomwonden uitingen niet langer kon beschermen.

Met Gabriel Klotz verwierf Erbe kort daarop een boerderijtje in de streek Markdorf in het gebied van de Bodensee. Het was ongeveer 5 hectare groot en lag in een dalletje, waar een beekje doorstroomde, in een “Tobel” [7],waar de naam Tobelhof van is afgeleid.

Erbe begon zich nu intensief met land- en tuinbouw bezig te houden en bestudeerde diepgaand de landbouwcursus van Rudolf Steiner[8] in samenhang met de werksituatie in de tuin en op het veld, die hij nu zelf kon bepalen. De Tobelhof lag in een op zich vruchtbaar fruitteeltgebied. Toch gaven de deels tamelijk steile hellingen van zijn bezit niet al te veel bruikbaar tuin- en akkeroppervlak. Voor de verschillende onderzoeken was het gebied echter groot genoeg. In een kleine kas richtte hij een soort laboratorium in, waar hij allerlei preparaten bereidde, die hij vervolgens bij het verbouwen van de planten kon gebruiken en beproeven. Hij hield ook dieren. Drie á vier koeien naast kleinvee en een hondje, waar Erbe veel genegenheid voor voelde. Toen het bezit in Ulm afgebrand was, trok het echtpaar Erbe voorgoed naar de Tobelhof. Ze zagen na de oorlog af van het weer opbouwen van de ruïne en wijdden zich volledig aan hun roeping om nieuwe wegen van landbewerking en voeding te ontsluiten.

De verdieping van de vraag wat voeding eigenlijk is – in de brede zin van het woord – die door zijn werk aan het brood, zoals genoemd, al heel grondig was, leidde hem ertoe zich met het Johannesevangelie bezig te houden. Hij verbond zich vooral zeer intensief met de tekst van de Apocalyps. Dat beantwoordde aan een karakteristieke trek van Erbe, zich met enorme innerlijke drang in het wezenlijke van zijn meditatieteksten te begeven. Ooit schilderde hij, hoe hij als gevolg van zijn streng doorgevoerde contemplaties de sluier van Maya weggetrokken had, waarbij hem bij zijn blik in de geestelijke wereld het laatste avondmaal ten deel viel. Deze belevenis verbond zich met zijn roeping om wilde grassen te zoeken en deze tot nieuwe broodgranen te veredelen. Er moest een nieuw brood komen voor het geval het oude volledig verwoest zou zijn. Hij beleefde dat hem de voorbereiding werd overgedragen, die in een breder gezichtsveld in een volgende cultuurperiode[9] tot opgaven aan de mensheid gesteld zouden worden. Dit zorgde bij hem voor innerlijke conflicten, omdat hij zich niet in staat voelde zo’n opdracht aan te kunnen. Vervolgens begon hij zich over de ingeslagen weg helderheid te verschaffen, waarbij hij zijn meditatieve pogingen voortzette en waar mogelijk nog versterkte.

Om te beginnen ging hij diverse wilde grassen verbouwen. Gelijktijdig begon hij bepaalde preparaten te ontwikkelen, waarin hij verwerkte, wat hij met zijn werk vanuit de landbouwcursus gerealiseerd had. Wat hem nog ontbrak was een spuitpreparaat wat de beschikbare kiezelpreparaten, die in een koehoren werden bereidt, zou moeten vervangen en dat in staat moest zijn om de kalk- en kleiprocessen te ondersteunen, die Rudolf Steiner in de landbouwcursus noemde. Uiteindelijk kwam hij op het idee om verwreven kalkspaat (oerkalk) in de pijpbeenderen van een koe te prepareren, waarbij hij de met het meel van mineralen gevulde verse botten in de takken van een eik hing. Het was voor hem moeilijker om een klei-aarde-preparaat te vinden. Een preparaat met de opdracht om tussen de processen van kalk en kiezel te bemiddelen. Als men het kiezelproces als een zenuw-zintuig-proces van het grote organisme aarde opvat, en dat wat de kalk in de bovenste laag losse teelaarde trekt als het tegengestelde proces, namelijk dat van de stofwisseling, dan moet een klei-aarde-preparaat het ritmische, namelijk het hart-bloedsomloop-proces stimuleren. Voor dit doel moest, consequent doorgedacht, de klei-aarde in een hartkamer of in een long geprepareerd worden. Deze organen eigenen zich daar niet zo toe, daar zij zich niet als een omhulling van holle ruimten laten toepassen. Erbe vertelde hoe hij lang met deze vraag in zijn hart rondliep, voordat hem plotsklaps duidelijk werd, welk orgaan daarvoor in aanmerking komt. Hij kreeg dat idee, toen hij een herkauwend rund bekeek en het wisselspel tussen slikken en omhoog halen van de hap voedsel meer bewust bekeek. Daar was een orgaan bezig, dat tussen het stofwisselingsproces en de zintuigpool van het dier werkzaam is. Hij zorgde voor de keel van een koe en vulde deze met zuivere klei-aarde. Dit preparaat werd noch in de zomer noch in de winter aan de aards-kosmische krachten blootgesteld, maar in de overgangsseizoenen voorjaar of herfst.

Het was duidelijk dat het hier om voorwerk ging. Erbe schoolde daarbij zijn geestelijke kijk op de natuur. Hij leerde te zien hoe het etherische in het fysiek-stoffelijke speelt en werkt, Zoals het natuurlijke ziele-aspect (de astraliteit) er beweging in brengt en zoals de wereldgeest de veelvuldigheid van vormen ‘kneedt’. Hij leerde de wezens te schouwen, die daarin werkzaam zijn. Hij begon zich met de geesten van hogere en lagere hiërarchieën uiteen te zetten en, al is het maar op bescheiden wijze, mee te werken op het moment dat zij “opstijgen en neerdalen en naar de gouden emmer reiken”. Dit, wat volgens de scholingsschriften van Rudolf Steiner voortdurend gebeurt, werd voor hem een belevenis die een diepe indruk maakte. Om zijn opdrachten te kunnen vervullen, moest het hem duidelijk worden, hoe bepaalde substanties van de aarde in een hogere, verfijnde toestand naar boven “opgelost” konden worden, zoals men bijvoorbeeld levenloze stoffen tot leven wekt, ze “etheriseert”, want bij de – relatief – eenvoudige preparaten, zoals ze in Koberwitz aangegeven werden, kon hij niet blijven staan, als hij de aan hem gerichte oproep wilde uitvoeren.

Hoe grijpt de etherwereld echter in het stoffelijke in? Erbe bekeek de warmteprocessen; de zomertemperaturen, de wintertemperaturen, de warmte van het broed en de warmte van het bloed, de “anomalie” van het water, waarvan de meest verdichte toestand bij 4 graden Celsius ligt, het vriespunt van water, het sterilisatiepunt (de temperatuur waarbij water praktisch kiemvrij is), het verdampingspunt, enzovoort. Verder ging hij in op de vraag hoe licht werkt, wat gekleurd licht doet, waarom het plantenbloed groen, het dierenbloed rood is, enzovoort. Dit soort vragen kan men nog relatief gemakkelijk benaderen. Maar hoe werkt, hoe spreekt de chemische ether, hoe de levensether? Het bleef bij hem niet bij een denkbelevenis, maar het werd tot een waarnemingsbelevenis, dat de chemische ether ook een getallen-ether is. Bij de ervaring van de kracht van de levensether moet voor hem ook een hele wereld open zijn gegaan, want als hij met deze “woorden” sprak werd hij zeer eerbiedig. De gestalte- en orgaanvormende woordether of levensether bevat bepaalde trillingen, die vanuit de geestelijke wereld in het levensproces inwerken en wel vanuit hogere regionen dan bij de andere ethers het geval is. Zo onderzocht hij de vraag van de vier ethersoorten – de geestelijke of Ik-wereld (levensether), de ziele-wereld (klankether), de etheraura van de aarde en in beperkte zin de lichtether – hoe de warmteprocessen van de voelbare temperaturen bij het stoffelijke naar binnen respectievelijk naar buiten begeven.

Hoe kunnen dergelijke inzichten bruikbaar gemaakt worden? Hoe hebben onze voorouders dat gedaan, die nog helderziende inzichten hadden? Erbe hield zich vanuit dit oogpunt bezig met het Oude Testament en vond daar onder meer de zege van Isaak, waar sprake is van “dauw uit de hemel” en van “vettigheid” van de aarde. Hij vroeg zich af waarom het “beloofde land”, wat buitengewoon vruchtbaar zou zijn, waarin duizendvoudige, ja zelfs drieduizendvoudige vrucht moest gedijen, het land genoemd werd waarin “melk en honing vloeit”. In de Evangeliën zocht hij naar de diepere betekenis van deze substanties, waar bij het vieren van cultische maaltijden, avondmalen en ochtendmalen gebruik van werd gemaakt. De Evangeliën zijn doortrokken van de geheimen van wijn en brood. In samenhang met de spijziging met de broden, werd ook de vis, werd ook de honing genoemd. Hij zocht naar samenhangen in de jaargetijden en de tijden van de dag, waarop de feestelijke handelingen werden verricht en richtte zijn aandacht op de daarmee in samenhang staande dierenriem- en planetenwezens. Zo kwam in hem een kennis van de materie tot ontwikkeling, die ver uitging boven datgene, wat de wetenschappelijke informatie over de materie ooit zou kunnen bereiken en hij kwam op bereidingsmethoden, die hem over geconcentreerde etherkrachten deed beschikken, waarvan het toepassen bij de plantenveredeling een grote werkzaamheid beloofde, maar waarbij hij over de samenhang volhardend zweeg. Sommige preparaten hadden zes jaar nodig om te rijpen.

Op deze plaats wil ik benadrukken dat Erbe, als hij naar de geestelijke wereld opkeek, steeds door de diepste vroomheid en eerbied bezield was. In het dagelijks leven kon hij vaak razend zijn, vooral, wanneer hij zich beklaagde over de menselijke bekrompenheid en gebrek aan beweeglijkheid. Maar ten opzichte van de geestelijke wereld was hij een ander mens, deemoedig, los van alle merkwaardige gewoonten die zijn blik zouden kunnen benevelen. Gelouterde mensen, die vaak erg schoolmeesterachtig voorkomen, mopperden graag over Erbe’s woeste temperament. Ze wisten weliswaar nauwelijks wie hij in wezen was en hadden alleen maar op afstand gekeken “zoals hij zijn keel schraapt, zo spuugt hij”  (Wallenstein). Zijn genie, zijn geest, kwam niet op het thee-uurtje, maar kwam tot uiting in het intieme gesprek, ver van de onrust van de wereld.

De preparaten moesten niet alleen bereid worden, er moest ook ontdekt worden hoe deze toegang tot de planten konden vinden. Het in water roeren alleen, kon niet realiseren wat nodig was, om de hogere, fijnere, ether los te maken. Erbe herinnerde zich zijn zang- en spraakvorming en ontdekte een mogelijkheid om zijn preparaten toe te zingen, waarbij hij een doek over zijn hoofd hing en zich zo over het vat heen boog, waarin zich het in water opgeloste preparaat bevond. Aldus bezongen bracht hij zijn preparaten naar de grassen, die hij in zijn tuin gezet had. De zaadoogsten lieten aanvankelijk een aanzet zien van een krachtiger vorm, die zich van jaar tot jaar verbeterde. Toen Hellmut Finsterlin Erbe voor het eerst in 1949 bezocht, liet hij een nieuwe spelt zien, die hij uit een wilde grassoort had gerealiseerd. Daarnaast nog een tarwe en enkele wilde grassen die zich min of meer in een gevorderde omgezette vorm bevonden, waaronder een trilgras, waarvan de aartjes, die van nature zo groot zijn als een glazen speldenknop, nu zo groot als een duim geworden waren (ook de halm was al beduidend krachtiger geworden). Ook beemdgras, Frans raaigras, weidezwenkgras, struisgras en andere grassen, waarvan de aren en het stro ten opzichte van hun verkrijgbare soortgenoten sterk ontwikkeld waren en een duidelijke zetmeelaanzet vertoonden, terwijl van nature geen spoortje van zetmeelvorming optreedt.

Later zag ik de nieuwe spelt op het veld. Voor iedere boer was dat een overweldigende aanblik! Het graan was meer dan manshoog met tot twintig zijloten. De aren waren tot 30 cm lang en droegen per aar 80-120 korrels. De opbrengst overschreed daarmee het “duizendvoudige” met gemak. Het daaruit gebakken brood was voortreffelijk, zoals zijn klanten meldden. Het kost geen enkele moeite dat te geloven.

Erbe hield zich niet alleen met granen bezig. Hem stonden vruchten zo groot als pruimen voor de geest van een uit de wilde roos verkregen fruitsoort en groenten uit verschillende kruiden, die tegenwoordig als “onkruiden” bestreden worden. Zoals bijvoorbeeld distels, waarvan enkele het begin van een voedingsstofrijke bloembodem laten zien. Hij dacht aan grotere noten en zoetsappige cultuurvruchten uit bosbessen. De voedselsituatie van de mensheid scheen hem buitengewoon bedreigd. Hij nam niet aan dat de wereldwijde voedselcrisis doorstaan zou worden, zonder dat er cultuurplanten worden ontwikkeld, die bij een minimale aanspraak op de bodem in staat zijn om een optimale oogst te leveren. Hij geloofde er niet in, dat de oude, op kruising gebaseerde teeltmethoden geschikt zijn om nieuwe soorten, boordevol kracht, te doen ontstaan, namelijk planten, waarvan de etherkrachten totaal ongevormd en niet verbruikt zijn. Planten dus, die een hoge voedingswaarde hebben en bovendien tegen alle soorten schadelijke invloeden resistent zijn. Hij vond dat boeren en wetenschappers absoluut moesten samenwerken om de grondslag te leggen voor een nieuwe door kunstzinnigheid en religieuze toewijding gedragen wetenschap van de geest.

In 1958 werd Hugo Erbe door een vriend[10] een landgoed van 60 hectare ter beschikking gesteld. Hier kon hij op grotere oppervlakten zijn nieuwe graan verbouwen en zich volledig met de verdere ontwikkeling van de grassen bezighouden, voor zover deze nog onder handen waren. Voor het algemene agrarische bedrijf heeft hij daar 21 nieuwe biologisch-dynamische preparaten – deels al eerder ontwikkeld – samengesteld, respectievelijk in het kader van een rationeel geleid agrarisch bedrijf beproefd. Onder deze preparaten bevinden zich enkele, die de chemie van de vier magen van het rund benutten, een koolstofpreparaat, dat indien toegepast, de aarde niet alleen een stijging van de natuurlijke vruchtbaarheid, maar vooral ook een werkbaar tegenwicht tegen de uit de industriële luchtvervuiling ontstane schade beloofd. Voor de ontgifting van de bodem, dat men ook kan beschouwen als het ontdoen van demonen, maakte hij een preparaat uit de bestanddelen, die de wijzen uit het Morgenland ooit naar het Jezuskind gebracht hebben. Verder ontwikkelde hij verscheidene fruitboom-spuitpreparaten en een soort saus ter bevordering van de groei van jonge planten. Hij creëerde preparaten ter stimulering van de warmteprocessen of liever gezegd ter verhindering van schade door vorst, evenals een preparaat om humus te vormen en een tegen wildvraat.

Op de “Thalhamerhof” (dat in het gebied van Freising in Beieren lag aan de zogenaamde Hopfenstraße) leefde Erbe op. Daarom was het voor de meeste van zijn vrienden eigenlijk onbegrijpelijk dat in 1965 op 13 oktober de dood hem plotseling uit hun midden rukte. Al te veel vrienden had hij niet. Ook in de jaren op de Thalhamerhof leed hij onder het gebrek aan begrip van zijn anthroposofische broeders. Weliswaar was er vaak interesse, maar dat vlamde slechts sporadisch op om al snel weer als een hooibrandje uit te doven. Hij was moedig voorop gaan lopen, maar wat het begrip van de processen betreft, heeft nauwelijks iemand hem kunnen volgen.

Zijn tarwe “Goldkorn” wordt sinds 1968 aanvankelijk door een aantal boeren met groot succes verbouwd. Ieder jaar werden er monsters naar het bemiddelingsbureau voor de onderzoekskring voor biologisch-dynamische landbouw in Darmstadt gestuurd. De daar verrichtte onderzoeken bewijzen haar superioriteit ten opzichte van andere soorten, vooral wat het gehalte aan gluten betreft. De soorten vertonen geen enkele vermindering van kwaliteit. Oswald Hitschfeld, die de Badische en Elzasser boeren raad geeft, schreef mij in 1981: “Het tarwe draagt niet zomaar de naam Goldkorn. De wonderlijke goudgele kleur vindt men niet bij de andere tarwesoorten. Die waren zo gauw als as … Wij bakken vaak met deze tarwe en mijn vrouw geeft steeds te weinig water tijdens het roeren van het deeg, zoveel neemt het op.”

Voor een geest als Hugo Erbe is de dood geen grens. De onsterfelijke Hugo Erbe zal ieder een helpende hand toesteken, die er moeite voor wil doen, om zijn inspiratie te ontvangen, tot herstel van de vruchtbaarheid van de aarde en een gezonde voeding van mens en dier. Vandaar de titel “Wie is Hugo Erbe ?”.

 

Vertaling en transcriptie van een artikel van Hellmut Finsterlin,
verschenen in zijn tijdschrift ‘Erde und Kosmos’ uit 1983
met toevoegingen van voetnoten, omslag en afbeeldingen door
Theo Georgiades,
kerst 2016

Voetnoten

[1] Omstreeks het jaar 1879 heeft Gabriël, de aartsengel van de maan, de leiding afgestaan aan Michaël, de aartsengel van de zon. Zarathustra, de grote leraar van de Perzen was een zoon van het vorige Michaëlstijdperk (Orifiël – Saturnus; Anaël – Venus; Zachariël – Jupiter; Rafaël – Mercurius; Samaël – Mars; Gabriël – Maan; Michaël – Zon) uit: het tijdperk van Michaël, Emil Bock, uitg. Christofoor

[2] In het Nederlands vertaald onder de titel: “Wetenschap van de geheimen van de ziel”

[3] Leib des Herrn – het lichaam van de heer

[4] tellurische: tot de aarde behorend

[5] maniok is hetzelfde als cassave, een eetbare wortelknol.

[6]     Werner Bohm leefde van 1896 tot 1959 en schreef ‘Kosmos, Erde und Mensch’ (uitg. 1963/1964) verlag die Kommenden. Hugo Erbe schreef het voorwoord bij deze publicatie.

[7]     Tobel – nauwe kloof in bebost gebied

[8]     De landbouwcursus vond plaats met Pinksteren van 7 tot en met 20 juni in het jaar 1924 op het landgoed van graaf Carl-Wilhelm en gravin Johanna von Keyserlingk met tussen de 100 en 130 deelnemers, waarvan minstens 80 deelnemers praktiserend boer waren.

[9]     Met de volgende cultuurperiode wordt hier de Slavische cultuurperiode bedoeld, ook wel aquariustijdperk genoemd, waarbij de zon haar lentepunt beleeft in het dierenriemteken aquarius/waterman. Deze periode zal vanaf het jaar 3573 na Chr. beginnen en 2160 jaar duren volgens Werner Bohm.

[10] Peter von Siemens (1911 – 1986), achterkleinzoon van de oprichter van Siemens AG, Werner von Siemens. Was van 1971-1981 voorzitter van de Raad van Toezicht van Siemens AG

Hugo Erbe

links, foto’s, achtergronden